De natuurvijver in het najaar: wat u wel en niet moet doen
Een natuurvijver vraagt in het najaar minder werk dan veel tuinders denken, maar het werk dat er is, luistert nauw. Wie in oktober te grondig schoonmaakt, gooit precies de dieren weg die hij een half jaar lang heeft aangetrokken. Wie helemaal niets doet, kijkt in maart tegen een laag rottend blad aan die het water zuurstofarm maakt. Hieronder staat wat er in de praktijk toe doet, in de volgorde waarin het aan de beurt komt.
Blad hoort erbij, een bladpakket niet
Vallend blad is de grootste najaarsingreep en tegelijk de meest overschatte. Een paar handen blad op de bodem is geen probleem; dat verteert langzaam en levert schuilplaats. Wordt de laag dikker dan een centimeter of twee, dan gaat het mis. Bladeren die onder water afbreken verbruiken zuurstof en geven bij afbraak zonder zuurstof waterstofsulfide af, het gas dat naar rotte eieren ruikt. Precies dat is in februari en maart de meest voorkomende oorzaak van dode kikkers en salamanders in tuinvijvers.
De eenvoudigste maatregel is een net over de vijver in de weken dat de bomen vallen, meestal de tweede helft van oktober tot half november.
Span het net niet strak op het wateroppervlak maar iets verhoogd, zodat egels en amfibieen er niet in verstrikt raken. Gebruik ruime mazen. Wie geen net wil, schept het blad er wekelijks af met een schepnet met lange steel. Dat kost een kwartier per keer en werkt net zo goed.
Blad dat al op de bodem ligt, haalt u er het beste in september of begin oktober uit, dus voordat de dieren zich ingraven. Laat wat u eruit schept een nacht op de kant liggen. Kleine waterdieren kruipen dan vanzelf terug.
Snoeien: de helft laten staan
Waterplanten sterven in het najaar boven water af. Riet, lisdodde, egelskop en zwanenbloem laten hun stengels staan, en die stengels zijn hol. Bij vorst is dat de zuurstofroute naar het water eronder en tegelijk de overwinterplek voor insecten. Snoei ze daarom niet in het najaar weg, maar pas in maart, en dan nog het liefst maar de helft. De andere helft doet u het jaar erna.
Wat wel weg mag: alles wat drijft en wat afgestorven onder water hangt. Kroos, drijvende waterweegbree en de slappe resten van waterpest halen niets meer op en verteren alleen maar. Zuurstofplanten die nog groen zijn, laat u met rust. Die blijven de hele winter doorwerken, ook onder ijs, zolang er licht bij kan.
Oeverplanten in manden mogen blijven staan waar ze staan. Alleen echt vorstgevoelige soorten, zoals waterhyacint en watersla, overleven een Nederlandse winter niet en kunnen op de composthoop.
Dieren: laat ze met rust
Kikkers, padden en salamanders overwinteren deels in het water en deels op het land. Wat ze nodig hebben is een plek waar het niet doorvriest: de diepste zone van de vijver, of een hoop takken, blad of stenen op de kant. Leg die hoop op tijd aan, in september of oktober, en op een plek waar u de winter niet meer hoeft te zijn.
Vissen eten bij water onder de tien graden nauwelijks nog en onder de vier tot vijf graden helemaal niet. Voeren heeft dan geen zin en belast het water onnodig. Stop met voeren zodra de watertemperatuur een week lang onder de tien graden blijft; een simpele thermometer op de bodem is nauwkeuriger dan de weersverwachting.
IJs: een gat, geen bijl
De hardnekkigste vergissing is een gat in het ijs hakken. De klap plant zich voort door het water en beschadigt het gehoororgaan van vissen en amfibieen. Wie een opening wil houden, zet er een pan heet water op tot het ijs smelt, of laat een bosje riet of een stuk piepschuim in het water drijven voordat het vriest.
Belangrijker nog is de vraag of dat gat er wel moet zijn. In een vijver met veel blad en veel vis wel, want dan moeten rottingsgassen weg kunnen. In een schone natuurvijver met weinig vis en veel planten is een gesloten ijslaag zelden een probleem; onder het ijs blijft het water bij vier graden en dat is precies waar de dieren op rekenen.
Diepte is het echte antwoord
Alles hierboven is beheer. De enige structurele maatregel is diepte.
Een vijver van dertig centimeter vriest in een strenge winter tot de bodem door en dan overleeft er niets. Tachtig centimeter op het diepste punt is voor Nederlandse omstandigheden voldoende, en die zone hoeft niet groot te zijn: een kuil van een vierkante meter volstaat.
Wie in het najaar toch aan het graven is, kan meteen het oeverprofiel meenemen. Een flauw aflopende zone van nul tot twintig centimeter, aan de zonkant, is voor amfibieen en libellen belangrijker dan de diepe kuil. Daar wordt in het voorjaar afgezet en daar warmt het water het eerst op.
Kort samengevat
Blad eruit voor het rot, planten laten staan tot maart, niet voeren onder de tien graden, geen gat hakken maar smelten, en zorg dat er ergens tachtig centimeter water staat. De rest doet de vijver zelf.



